s
Dirk Tersteeg in Naarden en ver daarbuiten, een spontane ontdekkingstocht langs zijn ontwerpen.
Groot is de invloed die één man kan hebben op het uiterlijk van een gemeente.
De naam van tuinarchitect Dirk Tersteeg is nauw verweven met de inrichting van tuinen, parken, plantsoenen, doolhof en begraafplaats in Naarden en ver daarbuiten. Gerritjan Deunk werd inwoner van Naarden en ging op zoek.
Sedert oktober 2014 mag ik mij officieel inwoner van Naarden noemen. Daartoe huis ik op de Rubenslaan, nette huizen met een grote vijver ervoor, twee en drie-onder-een-kap met voor- en achtertuin. Hoge populieren waaien voor mijn ramen heen en weer.

Zwanen klepperen met hun vleugels hard op het water als ze landen op de vijver, het Meertje van Vlek. Ik wandel naar Albert Heyn heen en weer langs rietgedekte ‘vroege Dudoks’ en door lanen onder het lover door van volwassen rode beuken. Met logeerhond Kiki omcirkel ik regelmatig het meertje voor de deur, of ga het pad af iets verder weg langs het watertje dat de gemeentegrens vormt tussen Naarden en Bussum. Kijk uit op de statige achtertuinen van de villa’s aan de Brediuslaan. Verrast en verbaasd ben ik tijdens deze strooptochten door Naarden over de rijkdom aan oude en nieuwere architectuur, dichtbij in het Rembrandtkwartier en verder weg binnen de vestingstad, alle moois is samengebald op een kleine oppervlakte. De oude vesting is één groot monument met de beroemde Mattheus-Passion-Groote Kerk als veilig baken middenin de vele beschermde, oude huizen. Eeuwenlang is de stad vrijwel onveranderd gebleven. Ook de nabije omgeving bleef lang ongerept vanwege de zogeheten Kringenwet. In het schootsveld van de vesting mocht van het Ministerie van Oorlog tot 1926 nauwelijks gebouwd worden. Vandaar de aanwezigheid van vele houten huizen die in tijden van oorlog snel afgebroken konden worden. Dat leverde een van de mooiste huizen in de buurt op, de villa ontworpen door de kunstenaar Hendrik Wijdeveld aan de Thierensweg voor kweker-fabrikant Bendien, tevens uitvinder/producent van de kamerplantenbemesting Pokon. Kwekerijen waren wel toegestaan en gedijden welig rond de vesting. Solide, stenen nieuwbouw was er ook, maar verder weg, bijna in Bussum, dieper het bos in of op de hei, richting Huizen. In de nieuwere woonwijken die na 1900 vlakbij het nieuwe station Naarden-Bussum verrezen, bouwden architecten van naam karakteristieke woningen. Veel tuinen rond deze nieuwe villa’s, arbeidershuizen en openbare gebouwen zijn ontworpen door tuinarchitect Dirk Tersteeg.
De Nieuwe Architectonische Tuinstijl
Praktijkervaring had de jonge Amsterdammer en timmermanszoon Dirk Frederik Tersteeg opgedaan bij rozenkwekerij G.A.van Rossum in Huizen. Hij liep stages in Trier in Duitsland en Orléans in Frankrijk voordat hij in Naarden terugkeerde om daar in 1899 met zijn broer Jan Georg een kwekerij over te nemen. Dirk was naast hovenier, kweker en tuinarchitect ook zeer geïnteresseerd in architectuur. Hij had uitgebreid kennis genomen van de laatste stromingen en toen hij gevraagd werd om tuinen niet alleen te beplanten, maar die ook te ontwerpen, deed Tersteeg dit als een van de eerste in Nederland in de Nieuwe Architectonische Tuinstijl. Kenmerkend hierbij zijn gemetselde elementen in alle mogelijke varianten; keermuren, verdiepte partijen, geaccentueerde hoogteverschillen, pergola’s, priëlen, monumentale trappartijen en ommuurde vijvers. De indeling van tuin of park is gebaseerd op de architectuur van het huis met een of meerdere zichtassen. Doel is een eenheid van tuin en huis te creëren. Tersteeg ontwikkelt zich langzaam doch gestaag tot een succesvol tuinarchitect en houdt zijn kwekerij aan voor eigen gebruik. Hij schrijft artikelen over het vak en maakt daarmee niet alleen vrienden. In het tijdschrift Bouwwereld in 1906 ontwikkelt zich een heftige polemiek met collega Leonard Springer over natuur versus cultuur, de oude landschappelijke opvatting versus de Nieuwe Architectonische Tuinstijl.

Bilderdijkpark en ’t Mouwtje
De Nieuwe Architectonische Tuinstijl is nu nog goed te herkennen in het Bilderdijkpark. Het is een openbaar wandelpark dat Tersteeg in 1927 samen met de directeur gemeentewerken ir. J.Gerber inrichtte. Tersteeg was midden in zijn carriere en inmiddels lid van de schoonheidscommissies van zowel Naarden als Huizen, bestuurslid van Heemschut en de zojuist in 1925 opgerichte nieuwe Bond van Nederlandse Tuinarchitecten. Het is te danken aan de stevige architectonische elementen dat het Bilderdijkpark zijn karakteristieke uiterlijk tot nu toe behouden heeft. De solitaire bomen op de ruime gazons hebben inmiddels een eerbiedwaardige omvang. Een informatiebord maakt melding van een bonte tulpenboom, moerascypres, watercypres, gele pavia, schijnhulst, mammoetboom, prieelberk en helaas ook een apeboom.
Nog meer foto’s van het Bilderdijkpark te Bussum (klik op foto);








De arbeidsintensieve beplanting is geleidelijk vereenvoudigd. Een opvallend ronde brug is vervangen door een platte variant. Klinkerbestrating maakte plaats voor grindtegels en de oude rozenbogen, die ongemerkt verdwenen, zijn weer terug en beplant met nieuwe soorten. Oude flagstones zijn vervangen door nieuwe en het hout van de ingemetselde banken is vervangen door vandaalbestendig kunststof. Nog steeds domineren muurtjes, trappen en vijvers het geometrisch padenpatroon van het Bilderdijkpark. Het ontwerp is mede gebaseerd op het systeem van bestaande zanderijsloten, overblijfsels van vroegere afgravingen. Waterlopen bepalen de grondvorm van het park en de omgeving, waar een gracht diep de omliggende tuinen doorsnijdt, het zogeheten ‘Mouwtje’, vanwege de knik halverwege, met aan het eind ervan een monumentale dubbele trappartij. Omgeving, water, park en huizen een vormen samen een totaalkunstwerk. Nu nog steeds.

Tuinontwerper en architect zijn een team
In het lokale tijdschrift De Omroeper van oktober 1994 beschrijft mevrouw A.P.Kooijman-van Rossum het leven van Dirk Tersteeg, waaraan de volgende feiten ontleend zijn. Naast publieke parken ontwerpt Tersteeg veel voor particulieren en niet de minste. Zijn eerste opdracht krijgt hij in 1903 van G. Philips in Eindhoven, die de tuinarchitect meteen vraagt de groenvoorziening van radiozenders in Huizen te verzorgen. Vanaf dat moment ontwerpt Tersteeg naast Het Gooi ook veel in Brabant en Limburg. Er komen meer eervolle opdrachten waarmee hij zijn naam definitief vestigt. In Baarn ontwerpt hij voor de heer Van den Bosch in 1910 de tuin voor zijn paleisachtige Cuypers-villa De Hooge Vuursche, waarin nu een hotel gevestigd is. De wat gekunsteld aandoende voortuin is in zijn originele vorm tot op heden uitstekend geconserveerd.
Foto’s van De Hooge Vuursche, klik op een foto:





Mevrouw Kooijman legt vervolgens uit waarom Tersteeg zo succesvol is met zijn Nieuwe Architectonische Tuinstijl. De stijl vereist een goede samenwerking tussen architect en tuinarchitect. In overleg wordt bepaald waar het huis op het terrein geplaatst wordt zodat de tuin op het zuiden ligt, de moestuin naast de keuken en de blik vanuit de woonkamer onbelemmerd. Het terras ligt hoog vanwege het overzicht over tuin en omgeving. Het liefst ook vanuit huis vrije blik naar vier zijden. De geometrische tuinindeling betreft meestal niet het hele terrein maar beperkt zich tot een aantal tuinkamers, dichtbij en rondom het huis, onderling gescheiden door hoogteverschil met keermuurtjes of geschoren hagen, aansluitend bij de plattegrond en van eenzelfde maatvoering als het huis. Deeltuinen werden bestemd voor rozen, gemengde borders, waterpartijen of beplant als rotstuin. De rest van het terrein bleef hei of bos met traditionele landschappelijke toevoegingen als slingerpaden, niervormige poelen en rododendronpartijen. De brede belangstelling van Tersteeg en de uitvoerige besprekingen vooraf zorgden voor een goede coöperatie tussen architect en tuinontwerper. De ontwerpen waren trefzeker, meteen goed en werden nauwelijks gewijzigd bij uitvoering. Tekeningen zijn teruggevonden van huizen met tuinen van Tersteeg. Architectennamen die daarbij horen zijn De Bazel, Hanrath, Baanders, Cuypers en Rebel.

Floratentoonstelling 1925 in Heemstede
Jarenlang heb ik met een vriendin die woonde aan de Groenendaalse Kade in Heemstede onze honden uitgelaten in het bos daar. Ik begreep dat het wandelgebied een combinatie was van diverse landgoederen als Meer en Berg en Bosbeek. Het terrein was een lappendeken van duinwal met bos, landgoed met vijver en Zwitserse brug, rechte lanen en grasland. Het kleine molentje bij de toegangsbrug was pure versiering. Verbazing dus bij het lezen dat in 1781 eigenaar John (Mees&) Hope hier de tweede stoommachine van Nederland plaatste om zijn landgoed te bevloeien. Innovatie bleef een kenmerk van het landgoed Groenendaal, ook toen het in 1913 gekocht werd door de gemeente Heemstede. Haarlem had in 1910 de Nationale Bloemententoonstelling in de Haarlemmerhout georganiseerd, ingericht door Tersteegs’ grote klassieke tegenhanger Leonard Springer. In 1925 verhuist de Flora 1925 naar Heemstede en tuinontwerper Dirk Tersteeg mag dertien hectare bloemententoonstelling inrichten. Voor de gelegenheid bouwde architect Harm Korringa expositiegebouwen en een restaurant. Na afloop werd alles net zo rap weer afgebroken. Tersteeg bouwde baroktuinen a la Daniel Marot na, legde showtuinen aan waar 330.000 bezoekers en het hele koningshuis naar kwamen kijken.
In 1935 wordt een sensationele Flora gehouden in Heemstede. Philips bedenkt een schitterende illuminatie zodat ook ’s avonds de bezoekers blijven toestromen. Na de oorlog in 1953 probeert men het succes nog eens te herhalen maar de aanpak wordt als hopeloos ouderwets ervaren. Exit Heemstede Dynamisch Rotterdam neemt het Flora-stokje in 1960 over en vanaf dat moment heet de tentoonstelling Floriade. In Heemstede herinnert weinig nog aan de oude expo of het moeten de vele achtergebleven bloembollen zijn. Ook Dirk Tersteeg had na Flora 1925 niet lang tijd om te treuzelen. Hij had al jarenlang ervaring met wedstrijden en competities. In 1915 wint hij een horticulturele prijsvraag in San Francisco en in 1935 ontwerpt hij de tuin van het Nederlandse Paviljoen op de Wereldtentoonstelling in Brussel. De roem die bij deze internationale opdrachten hoort, helpt Tersteeg op het thuisfront in Naarden aan prestigieuze ontwerpen bij de vele nieuwe villa’s en buitenplaatsen die gebouwd werden in Het Gooi.
Foto’s Flora 1925, klik op foto;





Begraafplaats en doolhof in Valkeveen
Op een zonnige zondagmorgen is het mooi wandelen vanaf de benarde Veste Naarden via de ruime weilanden met verre horizon naar het bosrijke Oud Valkeveen. Daar bij de oude speeltuin legde Tersteeg in de crisisjaren een fors doolhof aan. Net als de door hem ontworpen ijsbaan bij de uitspanning Rust Wat in Blaricum en het genoemde Bilderdijkpark in Bussum is de doolhof van Oud Valkeveen een werkverschaffingsproject uit de crisisjaren dertig van de vorige eeuw. Maar liefst achttienhonderd coniferen vormden in Oud Valkeveen jarenlang een spannende omlijsting van een doolhof met een hart vol lachspiegels. Het doolhof groeide uit, onderhoud werd achterstallig en het complex werd gekapt in de jaren tachtig van de vorige eeuw. Niets herinnerd nu nog aan toen. Wel gebleven is de laatste opdracht van Dirk Tersteeg iets verderop. Daar ligt in serene rust de begraafplaats Nieuw Valkeveen. Bij de ingang is het oorspronkelijk schetsontwerp ingelijst te zien; een langgerekt terrein met rechte en cirkelvormige lanen. Middenin is een open terrein, op de trapeziumhoeken gemarkeerd met vier treurwilgen. Tersteeg kreeg de opdracht als adviseur van de gemeente Naarden in 1937, schetste trefzeker een gefaseerd plan waarvan een eerste derde deel werd uitgevoerd. Tersteeg zag het eindresultaat niet, hij overleed in 1942. De begraafplaats is later uitgebreid naar tekeningen van Tersteeg. In 2016 is de begraafplaats een vrijwel volgroeid park met tussen de treurwilgen fraaie zichtassen, precies zoals de ontwerper Dirk Tersteeg ze bedoelde.
Eigentijds ingevuld is de kinderhoek door tuin- en landschapsontwerper Ada Wille, gespecialiseerd in begraafplaatsen. Samen met haar en een expertgroep heb ik net het superdikke fantastische boek Ritueel Landschap afgerond, ondertitel Hoe gedenk jij?

De laatste rustplek van tuin en landschapsarchitect D.F. Tersteeg op de Naarderbegraafplaats
Het graf van Dirk Tersteeg
Naïef als ik ben neem ik voetstoots aan dat tuinontwerper Dirk Tersteeg in 1942 op zijn eigen begraafplaats op een ereplek zou zijn begraven. Niets is minder waar. Als je er langer over nadenkt is het niet zo vreemd. De Begraafplaats Nieuw Valkeveen wordt vlak voor de Tweede Wereldoorlog deels aangelegd. Het animo daartoe is niet al te groot, zo blijkt uit een brief gedateerd 25 februari 1935 van het gemeentebestuur van Naarden aan de Nederlandse Sierteeltcentrale in Den Haag: ‘Hierbij doen wij u toekomen een ontwerp voor den aanleg eener nieuwe begraafplaats in onze Gemeente. Hoewel wij in de naaste toekomst nog geen gebrek aan grafruimten hebben, kochten wij toch dit zeer ruime terrein, om als object voor werkloosheidsbestrijding, het geheel van eikenhout te zuiveren, den bodem diep te spitten en te egaliseren. Er zou zeker niet aan worden gedacht om nu reeds een beplanting op dit terrein aan te brengen, ware het niet, dat wij door Uwe bemiddeling het noodige beplantingsmateriaal tegen betaling van kleine kosten voor verpakking, inkoopen enz., dus feitelijk om niet kunnen bekomen.’. Vervolgens heeft ‘onzen adviseur, de Heer D.F.Tersteeg alhier’ een verlanglijstje gemaakt van 5000 stuks Taxus baccata, 600 stuks Syringa (Souvenir Louis Späth en Mary Legray) en 1100 stuks Pinus nigra austriaca van een meter hoog. Wanneer en of het komt vermeldt het archief niet. Of er tijdens de eerste oorlogsjaren überhaupt al begraven kon worden is dus maar de vraag.
Ik google en kom erachter waar Dirk Tersteeg dan wel begraven is. Sonja Verloop, secretaris van de Stichting tot Behoud van de Oude Begraafplaats van Naarden, mailt mij per omgaande de grafcoördinaten van Dirk Tersteeg. Op een zonnige namiddag fiets ik naar de Amersfoortsestraatweg, waar de begraafplaats ligt, handig dichtbij Jan Tabak voor de nazit en condoleance. De dodenakker van Naarden is vreemd genoeg gelegen binnen de gemeentegrenzen van Bussum. In 1830 werd per wet verboden doden binnen de stadsgrenzen en in kerken te begraven. Buiten Naarden mocht in het schootsveld van de vesting niet gebouwd worden en daarom week de begraafplaats uit naar Bussum, dat geen eigen begraafplaats had. Arm of rijk, in de dood allemaal gelijk, of je nu uit Naarden of uit Bussum komt.

Bij de toegangspoort met op de zuilen ‘Naarden’ en ‘1830’ staat een informatiebord waarop onder andere een oproep tot instandhouding te lezen staat. Het ontwerp van de begraafplaats is rechtlijnig, in een kruisvorm met rechts achterin een Joods gedeelte. De centrale middenlaan van het Rijksmonument straalt rust uit, maar ook voortschrijdend verval. Het meest opvallend bij binnenkomst is de in zwart doek gehulde grafkapel van de familie Dudok van Heel. Illustere families begraven hier hun doden onder zuilen, obelisken of forse natuurstenen. Ik zie een JanJaap Clinge Doorenbos-zerk met propeller en lees op een Van Marwijk Kooy-steen: ‘Hetgeen het oog niet heeft gezien en het oor niet heeft vernomen.’

Het graf van Tersteeg ligt wat afzijdig achterin, dichtbij de ingang van de Joodse begraafplaats en in de buurt van het karakteristieke baarhuisje. ‘Veilig bij God’ vermeldt de steen, D.F.Tersteeg, 7-2-1876, 5-7-1942. Eronder: H.S.M.Tersteeg-Goedkoop, 4-9-1878, 8-1-1966. Verder vermoed ik een dochter: Phia Tersteeg 20-7-1904, 22-11-1984. Alle tekst in een stevige bijna-Art-Deco-belettering, de steen getrapt omhoog. Weersinvloeden zichtbaar. Zijn er nog nazaten die naar het graf omzien?

Een lijst met Tersteegprojecten in Naarden
Bij een van de Tersteeg-fotoalbums, die ik mocht inzien bij de speciale collecties in de Bibliotheek van de Wageningse Universiteit, zat een handgeschreven document met daarop een lijst van 37 projecten die Dirk Tersteeg in Naarden uitgevoerd heeft. Vermoedelijk. De kopie is in zwartwit en onderaan staat een notitie: groen gemarkeerd: zeker D.F.Tersteeg ontwerp. De lijst bevat een ongesorteerde nummering tussen 2 en 87 van tekeningen van Dirk Tersteeg die aanwezig zijn in 1985 bij de plantsoenendienst, Dienst Gemeentewerken Naarden, Albert Dorstmanplantsoen 1. Nummer twee op de lijst is de uitbreiding van de Schapenmeent in december 1929. Nummer 87 betreft het Oranje Nassaupark, datering oktober 1938. Onderaan staat ongenummerd: Nieuw Algemene Begraafplaats “Valkeveen” 1937, dit is D.F.Tersteeg’s laatste ontwerp, daarna ziek geworden.
Ik bekijk de lijst meerdere malen en bestudeer de nummers. De complexheid verschilt enorm. De tekeningen varïeren tussen een detailtekening van een enkele rozenboog tot de complete aanleg van plantsoenen en het Oranje Nassaupark. Opvallend zijn woonwagenkamp en zwembad. In een tiental jaren tijd verwezenlijkt Dirk Tersteeg zo’n dertig ontwerpen alleen al in Naarden. Interessant voor mij is vooral archiefnummer 25 uit december ’34: het J.J.Jurissenplantsoen. Dat is de officiële benaming van de waterpartij waar ‘mijn’ Rubenslaan langsloopt. In de Volksmond heet het ’t Meertje van Vlek, naar boer Vlek die zijn grond afstond voor zandwinning. Om het helemaal ingewikkeld te maken benoemde Tersteeg zijn ontwerpen Beplanting Vijver Rembrandtpark. Allemaal namen voor hetzelfde water waarop ik dagelijks mag uitkijken.

Het Archief te Naarden
De titel van dit verhaal is Dirk Tersteeg in Naarden. Alle tot hier besproken ontwerpen liggen buiten de gemeentegrens van Naarden. Het Bilderdijkpark en het Mouwtje liggen op een paar honderd meter, net als de grafsteen op de Oude Begraafplaats, de begraafplaats Nieuw Valkeveen is een halfuurtje fietsen, maar alle liggen echt buiten Naarden. Op een goede dag fiets ik door de vesting en stop bij het archief, het is open en ik mag naar binnen zonder afspraak. In de hal valt het grote borstbeeld op van xx.
Binnen word ik ontvangen door twee aardige dames. Ik leg aan een ervan uit waarvoor ik kom en dat ik denk erover te schrijven in het tuintijdschrift OnzeEigenTuin, waarvan ik redacteur ben. De andere dame kijkt verblijd over haar bril, ze is abonnee en weet precies wat ik wil. Ik neem plaats aan een grote tafel en wacht opgewonden tot ze binnen komt rijden met een trolley waarop doos met voor mij kostbare Tersteegtekeningen. Ik mag ze zowaar uitvouwen en bekijken. Wat ik gretig doe. De schetsen van de beplanting rond de vijver zijn erg helder. Ik probeer wijs te worden uit de rondjes, kruisjes, wolkjes en kleurtjes. De toegevoegde namen Charles Dickens, Gomer Waterer (rhododendron), Parsons Gloriosa, Old Port, F.D.Godman (rhododendron), Princess Mary of Cambridge, of Lee’s Dark Purple kan ik niet direct plaatsen. Vergeleken met de tekeningen van streekgenote en vakzuster Tine Cool zijn het heldere schetsen, maar zonder legenda kom ik er niet uit. De cirkeltjes en ringetjes worden wel uitgelegd op de tekening van de eenvoudige beplanting voor een laantje tussen ‘onze’ Rubenslaan en de Jan ter Gouwweg hierachter. Daar schrijft Tersteeg in zwierige gecalligrafeerde letters dat er 2 maal 52 ruige kornoelje Cornus sanguinea en nog eens 2×8 struiken Berberis Aggregata geplant moeten worden. Als stambomen komen er 2×11 lindebomen Tilia platyphyllos bij. En dan is het laantje bescheiden doch afdoende aangekleed.

Op mijn vraag of ik kopieën bij het Naardens Archief kan bestellen van al dit moois is het antwoord helaas negatief. Geen extra faciliteiten meer. De logische samenvoeging van de gemeente Naarden met Bussum maakt de toekomst ook voor het archief onzeker. Alles wordt opgeschort, budgetten, digitalisering en toekomstvisie. Ik mag met mijn telefoontje foto’s maken. Als ik thuiskom bedenk ik me dat ik vergeten ben hun namen te vragen om ze ooit te bedanken als het zover is. Bij dezen dank dames van het Naardens Archief.

Hoe heten de bomen in de buurt?
Best aardig om de buurt te verkennen en de mooie karakteristieke bomen te bewonderen. Maar wat voor bomen zijn het? De oude vliegdennen springen eruit, de rode en groene beuk ken ik ook nog wel. De vleugelnootbomen herken je aan de lange snotterbellen en de platanen aan de barstende bast. De acacia is makkelijk met de diepgegroefde schors en de waaiers aan bladeren, al dan niet gesloten. De esdoorns herken ik vooral in de herfst aan de felgele of hardrode verkleuring. Maar dan wordt het moeilijker. Treurt daar en wilg, beuk of es? Om wat bij te leren meld ik mij aan voor een juni-avondwandeling door het Bilderdijkpark met Charlotte Abma van Groei&Bloei, afdeling Gooi Noord. Verzamelen op de brug, handjes geven, op pad. We wandelen langs de oude vaart waar meteen bijzondere bomen staan maar ook struiken als de rode pavia, Aesculus pavia. Het is een kastanje in struikvorm die bloeit in grote pluimen. Daarvoor zijn we nog te vroeg, de kaarsvormige knoppen zitten er al. Verderop een bruine beuk, een Fagus sylvatica ‘Atripunicea’ en een Liriodendron tulipifera, een tulpenboom.
Omdat het Mouwtje laag ligt kunnen grote bomen redelijk ongestoord uitgroeien tot forse solitairen. Bomen, ook hoge exemplaren vangen hier weinig wind. Verderop langs het water een amberboom, een wintergroene eik en een Parrotia persica, een ijzerhout-struik. Op weg terug door de woonbuurt passeren we huizenhoge acacia, stoere vliegdennen nog van voor de bebouwing, een zilveresdoorn, moeraseik en schijnbeuk. Verder langs de trottoirs platanen en op de Bilderdijklaan staan we onder de vleugelnootbomen. We wandelen aan de overkant langs het grote informatiebord het Bilderdijkpark weer in. Ik gruw nog even bij de Auracaria, de apenboom, in mijn beleving de saaiste boom die er is. Verder probeer ik de verschillen te zien tussen de watercypres en de moerascypres, de Metasequoia glyptostroboides en de Taxodium distichum Ik maak kennis met Johanna Karssen-Schuurmann. Zij werkt bij de Universiteit Wageningen en weet alle bomen in het Bilderdijkpark trefzeker te benoemen. Haar vraag ik mijn Tersteegverhaal en de bijschriften bij de foto’s te checken. Ter afsluiting van de wandeling de zogeheten koffie uit de kofferbak. Goed bestede avond voor kennisvergroting en beter buurtgevoel.

Maanden later krijg ik van een aardige mevrouw van de Historische Kring Bussum een boekje in handen gedrukt: Rondwandeling door het Brediuskwartier en het Willem Bilderdijkpark. Daarin komen we dezelfde bomen tegen als op de wandeling met Groei&Bloei, sommige bomen meer uniek dan andere. Uitzonderlijk blijft te zien dat de dichtheid bijzondere en oude bomen bovengemiddeld hoog is binnen een enkele woonbuurt. Het bomenboekje van de Gemeente Bussum is geschreven door Jenica van der Torren, bewoonster van de buurt en kenner van de geschiedenis ervan.
Het Brediuskwartier
In het augustusnummer van het tijdschrift van de Historische kring Bussum schrijft dezelfde Jenica van der Torren een gedegen en groot artikel over de stand van het groen in het dorp ter gelegenheid van de Open Monumentendag 2012 met als thema Groen van toen. Op tien pagina’s wordt het particuliere en openbare groen van Bussum belicht. Na de slordige ontwikkeling aan het einde van de 19e eeuw van vooral particuliere groen van de woonbuurt Het Spiegel wordt de 20e eeuwse aanleg van het vele openbare groen in het Brediuskwartier gezien als een grote vooruitgang.
De gemeente Bussum had grond gekocht tussen Brediuslaan en Huizerweg met het doel daar een villawijk met park te bouwen. Door zandafgraving was een deel van het terrein doorsneden met afzandingssloten. Dirk Tersteeg kreeg de opdracht voor het ontwerp en hij benutte inventief de hoogteverschillen. Het openbaar park werd door hem uitgebreid met een publiek wandelpad dat laag langs water loopt en met een bocht door de woonwijk gaat. Vandaar de benaming ’t Mouwtje. Als je de plattegrond bekijkt dan valt de grote hoeveelheid groen op. Naast het Bilderdijkpark en ’t Mouwtje is er ook midden in de buurt een groot open terrein, een soort brink, meent of wat de Engelsen een common noemen. Verder is er grote aandacht voor de boombeplanting langs de lanen. Veel vliegdennen uit het oorspronkelijke landschap zijn gebleven en accentueren het bosachtig karakter. De huizen worden ingepast in het bestaande landschap en vormen een harmonieus geheel met de omgeving.

Architect De Bazel, aan wie het ontwerp voor de Brediusbuurt vaak ten onrechte wordt toegeschreven, had dit project graag willen doen, hij had aardig wat opdrachtgevers in de buurt. Zo wilde hij een waterverbinding maken verder richting Huizen naar landgoed De Beek, een client van hem. De bazige Bazel wendde zijn invloed vooral aan om ruim en langdurig dwars te liggen. Zijn protesten werden deels gehoord en met wat compromissen en vijf jaar vertraging kon de bouw van het Brediuskwartier verder gaan. De gemeente moest de inkomstenderving compenseren en verkocht daartoe in 1927 een kwart van het geplande Bilderdijkpark aan kwekerij A.J.Herwig, voorvader van Rob en Modeste. Vandaar dat de bebouwing van de huidige Herman Gorterhof nu zo puntig het park insteekt. Bedreiging door bebouwing van groen blijft een bron van grote zorg. Kwekerij en kinderboerderij ‘verstenen’ het groene deel van de buurt. Elke kap van een Pinus Sylvestrus betekent gezichtsverlies voor de buurt die Dirk Tersteeg met zoveel kunde en liefde ontwierp.
Het Rembrandtkwartier
Aan de noordzijde van de Brediuslaan werd in de jaren dertig een nieuwe villawijk gebouwd. Minder luxe dan het Brediuskwartier en vooral gericht op een groeiende middenklasse die welvarender werd.
De tijden zijn na 1929 drastisch veranderd. De economische crisis heeft de bouw van een huis in de dertiger jaren gek genoeg goedkoper gemaakt. Stroomlijnen van productie komt op gang en prefab doet zijn intrede. Meer mensen willen de sterk verhoogde huren vermijden door zelf een huis te bouwen. Financiering is gunstig. Aandelen zijn verdacht dus investeren kleine beleggers graag in een of meerdere huizen, al dan niet voor eigen gebruik. Het nieuwe Rembrandtkwartier oogt gestroomlijmder dan ‘het Bredius’. De straten zijn rechter, de huizen eenvormiger, twee of drie onder een kap. Indeling uniform: beneden kamers en suite, erker, hal en keuken achter bij de tuin. Op de eerste verdieping drie slaapkamers, badkamer en helemaal boven een grote zolderverdieping. Buiten voortuin, pad langs het huis naar de garage in de achtertuin, toegift voor de tussenhuizen een handig achterommetje. De tuinen vormen een lappendeken aan persoonlijke invullingen. Men tuiniert zelf of heeft een mannetje, in het Gooi werkmeneer geheten.

Het groen hier door Dirk Tersteeg als ambtenaar in dienst van de gemeente ontworpen, oogt dan ook luchtiger en transparanter. De oppervlakte groen is restgroen rond de vijver van het Rembrandtpark, een plas ontstaan uit zandwinning. De variëteit in beplanting is minder exotisch dan voorheen. Wat oude vliegdennen en een paar watercypressen brengen de enige variatie tussen de populieren, meidoorns, platanen en lindes. Wel is de wijk nog steeds groener dan de meeste naoorlogse buurten elders.
Bijkomend voordeel hier is dat de woonwijk gebouwd wordt op voormalige kwekerijgronden. Voor het huis wordt zand opgebracht ter fundering maar de achtertuinen blijven laag op de oorspronkelijke vruchtbare grond. Ik heb daar als tuinier vandaag nog practisch voordeel van.
Prins Hendriksoord Den Dolder
Mijn groene zoektocht ‘A la recherche de Dirk Tersteeg’ brengt me op voor mij steeds moeilijker te bereiken oorden. Zo is er een tuin/huis/buitenplaats Prins Hendriksoord op het mooie kruispunt van wegen naar Lage Vuursche, Den Dolder en Soest. Op alle hoeken staan witgepleisterde villa’s of veelbelovende bossages. Tot voor kort associeerde ik het kruispunt vooral met de Ewijkshoeve, een villa-boerderij waar ooit de schilder Willem Witsen woonde en waar ik ver in de vorige eeuw een boekpresentatie mocht bijwonen. Indruk maakte toen het verhaal dat er ooit een depressieve vrouw in de duistere vijver ‘te water was gegaan’. Frederik van Eeden zou mede daardoor geinspireerd zijn tot het schrijven van zijn boek Van de koele meren des doods.

Deze droeve gedachten zijn nu opzij geschoven door huis en tuin van Prins Hendriksoord, één van de andere hoekpunten van de kruising. Uit het archief in RUWageningen heb ik wat beelden van de tuin in vroegere glorie. Het uitje ernaartoe van Cascade heb ik helaas gemist. Informatie over Prins Hendriksoord geeft ook de website van Hylkema Consultants, Erfgoed, één van de wel negen specialismen. Onder het kopje Beleidsadvisering valt ook Bloementuin Tersteeg, Den Dolder. Citaat: De Amsterdamse bankier Adolphe Bossevain laat in 1909 een tuin in Oudhollandse Stijl door Dirk Frederik Tersteeg aanleggen op het oorspronkelijke Prins Hendriksoord. Deze tuin is een van Dirk Tersteegs vroegere werken en is volgens de kenmerkende principes van de Nieuw Architectonische stijl gemaakt met gemetselde keermuurtjes, trappartijen, pergola’s en waterbassins.

Na een restauratie in de jaren vijftig van de vorige eeuw wordt de tuin nogmaals (wanneer?) door Hans Warnau op een respectvolle wijze gerestaureerd, passend in de voor hem zo kenmerkende krachtige lijnvoering. De huidige tuin is door jaren van verwaarlozing in zeer slechte staat. De bouwkundige elementen hebben veel van hun allure verloren en de beplanting is nagenoeg verdwenen. De huidige eigenaren willen een nieuwe laag toevoegen aan de geschiedenis van deze bloementuin en hebben Hylkema Consultants in september 2012 gevraagd om de Omgevingsvergunning aan te vragen zodat begin 2013 met behulp van een Restauratiefonds-plus-hypotheek kan worden gestart met de restauratie van deze unieke tuin’. Einde citaat. Ben erg benieuwd wat men zich voorstelt bij ‘een nieuwe laag toevoegen’. Mocht iemand die dit leest mij kunnen informeren over de stand van zaken in het najaar van 2015 dan hou ik mij minzaam aanbevolen.
Deel Ewijckshoeve wordt Prins Hendriksoord wordt Vijverhof
Ik had op maandag 3 augustus 2015 bij de faceboekgroep Dutch Green Heritage meer informatie gevraagd over de Tersteegtuin in Den Dolder en kreeg een reactie. Carla Oldenburger van Groene Historie zette mij op het spoor van Debie&Verkuijl, landschapsarchitecten, gespecialiseerd in groen erfgoed. Ik kende ze al van hun grondige studie van een andere Tersteegtuin, De Konijn in Lunteren. Ze hebben een uitgebreid werkterrein waar ik ook De Maerle in Huizen weer tussen vond. In de ‘Bloementuin De Vijverhof, Den Dolder (1909)’ is door hen veel aandacht en energie gestopt. Daar las ik dat ze, in nauwe samenwerking met Hylkema Consultants, een inventarisatie gemaakt, een aanbeveling gedaan en een nieuwe laag ontworpen hebben voor wat dan nu de Vijverhof heet. De Tersteegtuin is nu een ‘Erfgoedparel’ van de provincie Utrecht. De website zegt er dit over:
‘Landgoed Vijverhof Zeist in Den Dolder werd in 1926 van landgoed Prins Hendriksoord afgesplitst. De Vijverhof bestaat uit een langgerekt landhuis dat in een landelijke stijl is vormgegeven in een U-vorm. Naast een paardenstal en een koetsierswoning in de linker topgevel, is een garage en een chauffeurswoning in de rechter topvleugel te vinden. De Tersteegtuin uit 1910 behoorde oorspronkelijk bij de buitenplaats Prins Hendriksoord. In 1924, drie jaar na het overlijden van de eigenaar A.A. Boissevain, wordt Prins Hendrikoord in drie stukken gesplitst, waaronder de nieuwe buitenplaats Vijverhof. De Tersteegtuin komt dan bij de Vijverhof. De geometrische tuin is van architectuurhistorische waarde als voorbeeld van een nieuw-architectonische tuinstijl alsmede van belang als vroeg ontwerp van D.F. Tersteeg. De provincie stelde €180.000 beschikbaar voor de restauratie van de historische tuin’. Einde citaat.
Wirtz maakt een ‘nieuwe ontwerplaag’ voor De Vijverhof
De website van Debie&Verkuijl vertelt over de ‘Bloementuin De Vijverhof, Den Dolder (1909)’:
‘Behoud van een architectonisch pareltje. De huidige tuin is door jaren van verwaarlozing in zeer slechte staat. De bouwkundige elementen hebben hierdoor veel van hun allure verloren. Het TUINHISTORISCH ONDERZOEK vormt de onderlegger voor een herstelplan waarmee de toekomst voor deze bijzondere tuin is veiliggesteld. Zowel de bouwkundige elementen van Tersteeg als de latere toevoegingen van Warnau zijn in dit NIEUWE ONTWERP gerespecteerd. In samenwerking met Wirtz International is een ontwerp en herstelplan opgesteld waarmee het behoud van dit bijzonder Rijksmonumentale object veilig gesteld wordt. (333 ha., Tuinhistorisch onderzoek, Inspectierapport en Herstelplan t.b.v. BRIM aanvraag 2011, opdrachtgever Hylkema Consultants en Herstelplan 2013 en omgevingsvergunning, particuliere opdrachtgever). 2011 In samenwerking met Hylkema Consultants, Six Architects en architectenbureau 1 meter 98. 2013 In samenwerking met Hylkema Consultants en Wirtz International.
HISTORISCH ONDERZOEK. De Bloementuin van landgoed Vijverhof maakte tot 1926 onderdeel uit van de aanzienlijke buitenplaats Prins Hendriksoord. De Amsterdamse bankier Aldolphe Boissevain laat in 1909 een tuin in ‘oud-Hollandse’ stijl door de Naardense tuinarchitect Dirk Frederik Tersteeg aanleggen. Deze tuin is een van de oudst bewaard gebleven tuinen in de Architectonische stijl waarin gemetselde keermuurtjes, trappartijen, pergola’s en waterbassins werden verwerkt. Een tweetal restauraties, waaronder door tuinarchitect Hans Warnau in 1978 (ha, antwoord op een openstaande vraag!), volgden.
BRIM-SUBSIDIE. Ten behoeve van de instandhouding is in 2011 een inspectierapport opgesteld waarin de gebreken en tekortkomingen van de tuinonderdelen overzichtelijk zijn weergegeven. In 2014 heeft de Provincie Utrecht besloten dat de Bloementuin in aanmerking kwam voor een bijdrage uit het Erfgoedparel fonds met een bijdrage van 150.000 euro.’ Einde citaten.
Serieus onderzoek doen blijft moeizaam via internet. Kopieer en plak is makkelijker dan wat ook. Transparantie en helderheid van informatie zijn vaak niet het eerste doel van de aanbieders. Is de tuin nu in 1909 of 1910 ontworpen en/of aangelegd? Bedragen zijn bijvoorbeeld moeilijk te checken. Is de subsidie uit het Erfgoedparelfonds (wie bedenkt zo’n naam?) nu 150 of 180 duizend euro? Wat is de onderlinge rolverdeling tussen architect Six, bureau Hylkema en Debie&Verkuijl, namen die ook bij De Maerle in Huizen opduiken? Ik vermeld indien bekend mijn digitale bron. Vaak is de oorsprong niet te traceren. Zijn tekst en data eenmaal foutief op het net verschenen dan is het daarmee een onuitroeibaar onkruid in het verhaal geworden.
Geestig in dit geval blijft de vroege geschiedenis van Prins Hendriksoord. De associatie met de Ewijckshoeve is achteraf niet zo raar. Nog even op een rijtje; Eerst was er alleen het grote landgoed Ewijckshoeve met zijn meest beroemde bewoner Prins Willem Frederik Hendrik die het landgoed in 1871 verwierf en het ‘verlandschappelijkte’. In 1883 werd Prins Hendriksoord afgesplitst dat op zijn beurt weer in drieën uiteenviel waarbij de door Tersteeg ontworpen tuin belandde op de Vijverhof. Dat wist ik allemaal niet toen ik op de kruising van wegen in de regen het bord ‘Zoekt u een stijlvolle werkplek?’ stond te fotograferen op 26 mei 2014.
Villa De Maerle in Huizen
Een goede manier van zorgvuldige Tersteeg-garden-hunting is mijn zaterdagmorgenwandelclub. Elke week wandelen we een andere route rond Naarden/Bussum en zo ontdek ik al stofkam-zuigend door Het Gooi achter coniferenhagen allerlei trapjes en keermuurtjes die wel eens van ‘Dirk’ kunnen zijn. Op een keer wandelden we door Bikbergen over de Oud Bussumerweg naar Huizen, naar CornelisZ in de haven. Onderweg zag ik een Belle Epoque villa met een mooie gevelsteen in top waarin De Maerle uitgebeiteld was. De gekruisde witte spijltjes van het overigens groene tuinhek van het door architect De Bazel ontworpen huis deden denken aan architectonische invloeden, ook voor de tuin. Thuisgekomen natuurlijk gegoogled (hoe deden we dat vroeger ook alweer?) en ik stootte wederom op Hylkema Consultants. Onder het kopje onderzoek staat het volgende te lezen: ‘In 1906 liet het kunstenaarsechtpaar Van Blaaderen tussen Huizen en Bussum een atelierwoning bouwen door K.P.C. de Bazel: ‘de Maerle‘. De Maerle wordt als één van de belangrijkste voorbeelden in zijn oeuvre gezien. Na tien jaar werd de Maerle door J.W. Hanrath verbouwd tot landhuis. Deze verbouwing bracht in der tijd een pittige discussie in onder andere het tijdschrift Architectura te weeg over de rechten van de bouwmeester. Na enkele wijzigingen in de jaren ’70 is het karakter van de Maerle ernstig aangetast. In opdracht van de huidige eigenaar is er een bouwhistorisch onderzoek naar de Maerle uitgevoerd. Hierin is de bouwgeschiedenis uitvoerig onderzocht en de Maerle in zijn huidige vorm is beschreven. Aan de hand hiervan is een waardering gegeven van de monumentale waarden. Aan de hand van deze gegevens zijn de toekomstige plannen van (restauratie)architect D.L. Six beoordeeld’.
Wie heeft wat ontworpen bij De Maerle?
Wie heeft wat ontworpen aan huis en tuin van Villa De Maerle in Huizen? (dus niet de gelijknamige Walden-villa in Bussum) Lees de inventarisatie van de Provincie Noord-Holland die de tuin een beschermde status heeft gegeven. Die nu weer door-over-geheveld wordt naar lokaal niveau, als ik de berichten juist interpreteer. Ik wil natuurlijk graag dat mijn favoriet Dirk Tersteeg de hoofdontwerper is. Maar zijn grote Gooise rivaal architect De Bazel, de huiseigenaar Van Blaaderen, de verbouw-architect Hanrath en de tweede eigenaar Van Alphen hebben allemaal hun ideeën op de ‘architectonische’ tuinen los gelaten Maar wat wordt er nu precies beschermd?
Citaat van de website Provincie Noord-Holland:
Verhaal: De tuinen aan de Oud Bussummerweg in Huizen (Provincie Noord-Holland, 07 maart 2012) De tuin met deeltuinen bij het landhuis De Maerle is in twee fasen aangelegd naar ontwerp van D.F. Tersteeg, in de Architectonische Tuinstijl bij het huis dat in 1906 door K.P. de Bazel gebouwd, en in 1917 door H.W. Hanrath verbouwd is. De deeltuinen bestaan uit de symmetrische tuin tussen het huis en de weg, een verdiepte tuin ten zuiden van het huis en in aansluiting op tuindeel A, een symmetrische tuin met hoogteverschil grenzend aan de zuidwestgevel en in aansluiting op deel B en ten slotte een verdiepte bloementuin met put grenzen aan de noordwestgevel van de in die richting gelegen vleugel.
De eerste fase van de tuin is in 1906 ontworpen voor G.W. van Blaaderen. Het bestaat uit twee deeltuinen ten zuiden van het huis en het gedeelte tussen de voorgevel en de Oud Bussummerweg. De tweede fase, de bloementuin ten noordwesten van het huis, is in samenwerking met J.W. Hanrath ontworpen in1917, in opdracht van de heer D.L. van Alphen. In die tweede fase zijn voor Tersteeg karakteristieke elementen gecombineerd, zoals gemetselde muren en trappartijen, een poort met toegangsdeur, een put en een bloemenbordes. Opmerkelijk en niet in andere tuinen van Tersteeg aangetroffen zijn de uit keien opgetrokken muren’.

Hoe schilderde G.W.van Blaaderen?
We zijn nog niet klaar met De Maerle. Laat ik bij het begin beginnen. Wie was G.W.van Blaaderen? Van Blaaderen, van Blaaderen en ineens weet ik het weer. Voor mijn boek ‘No Dog Signs’ maakte ik oude beelden eigentijds na. Nelly van Doesburg bijvoorbeeld was in Meudon gefotografeerd met twee hondjes bovenaan de trap. Voor het hondenboek fotografeerde ik in dezelfde houding Anneke Brassinga bovenaan dezelfde trap met mijn hond Max. Hetty van Eeghen en haar hond Aadje zette ik op een sofa op dezelfde manier waarop Jan Sluyters de kunstenares Ina van Blaaderen en haar witte hondje in olieverf schilderde in 1932. Daar ligt mijn aha-gevoel. Of Ina verwant is met G.W. en hoe vraagt een hele andere studie.
Ik google en vind een recensie in Elseviers Geïllustreerd Maandschrift No.5 uit 1926 waarin Mr J.Slagter uitgebreid ingaat op het oeuvre van de kunstschilder G.W. van Blaaderen en zijn plaats tussen Toorop, Thorn Prikker, Sluyters, Gestel en Hart Nibbrig in de schilderstromingen aan het begin van de 20e eeuw. Van Blaaderen doorliep alle fases van ontwikkelende artiest, inclusief de Italiaanse reis. Hij was onder de indruk van het licht in Frankrijk en nadat hij zich in 1902 in Laren gevestigd had ‘is het niet te verwonderen, dat hij daar onder de bekoring kwam van het Gooische heidelandschap en het Larensche boeren-interieur.’ ‘ Tegelijkertijd en krachtiger uitte hij zich in het landschap, als motief waarvoor de vijvers van Oud-Bussum dienden; daarin heeft hij iets subliems bereikt.’ ‘een groot vijvergezicht met gelende herfstloover, een schilderij van overtuigenden gloed en fijn sentiment, zeer zuiver van kleur gelijk schier al zijn werk.’
De woonwensen van G.W.van Blaaderen
Iemand die zo precieus schildert is waanschijnlijk ook zeer uitgesproken in zijn woonwensen. Uit het archief van het voormalig NAi, nu Nieuwe Instituut is de volgende (licht kreupele) tekst over de bouw van De Maerle aan de Oud Bussumerweg in Huizen. ‘De schilder G.W. van Blaaderen en zijn vrouw gaven opdracht tot het bouwen van een woonhuis. Op basis van een door hen opgestelde oppervlaktemaat van 6×8 voor de huiskamer, werd het hele huis ontworpen op een system dat de ruimte regelmatig indeelt in parallellopipeda van 80x120x80 centimeter. De plattegrond sluit aan bij de plattegrondindeling die destijds in Nederland in zwang kwam, met een ruime hal die op de Engelse afkomst wijst. De Engelse invloed is tevens terug te vinden in de haaks op het hoofddeel staande vleugel, waarin de ateliers zijn gesitueerd.
Bij dit huis liet De Bazel zich bovenal kennen als een architect die streefde naar gaafheid en harmonie, wat tot uiting komt in de verhouding van de onderdelen tot het geheel, in de wijze waarop het dak aansluit op de muren en in de afwerking van de details, zoals bijvoorbeeld de schoorstenen. In tegenstelling tot Berlage, die alles naast elkaar tekende, tekende De Bazel in zijn ontwerpen de plattegrond in het midden en liet hij het ingetekende systeem doorlopen in de daaromheen uitgeklapte gevels, waardoor er meer eenheid in de tekeningen kwam. ‘De Maerle’ is De Bazels bekendste huis geworden; het is tot in de jaren dertig een belangrijk voorbeeld voor de landhuizenbouw in Nederland geweest. Het exterieur paste met de ongepleisterde bakstenen buitenmuren, de glas-in-loodruitjes en het rieten dak bij de reeds aanwezige boerderijen in Het Gooi. Voor dit huis verzorgde hij ook de inrichting.’
De tuin van De Maerle na 1927
Uit het rapport van de Provincie Noord-Holland valt verder te lezen dat er de nodige mutaties in de tuinaanleg hebben plaats gevonden. Van Blaaderen was vertrokken en het huis werd bewoond door D.L. van Alphen.
‘Uit een foto uit 1927 valt op te maken dat er op een moment wijzigingen zijn doorgevoerd ten opzichte van het oorspronkelijke ontwerp. Met name het patroon van plantenvakken en paden in de tuin voor het huis is vereenvoudigd en de oorspronkelijk met lage buxushaagjes afgezette vakken met vaste planten zijn vervangen door eenvoudige rozenvakken. In 1945 zijn wijzigingen te zien in de achtertuin ten zuiden van het pand. Ook daar zijn vereenvoudigingen aangebracht. Verschillende paden en plantvakken zijn verwijderd. Er resteert nog een enkel ornament in het centrum van het door Tersteeg ontworpen gedeelte, een heester ten zuidoosten hiervan en een recht pad dat de zuidwestelijke begrenzeing van dit tuingedeelte vormde. De verdiepte bloementuin uit de tweede fase is vrijwel ongewijzigd gebleven. Alleen het bloemenassortiment is iets aangepast. De hoofdstructuur is echter grotendeels bewaard gebleven’.
De eindconclusie van het in wollige bewoordingen opgestelde rapport is helder en duidelijk: Dit is een Tersteegtuin die bewaard moet worden:
‘De combinatie van huis en tuin is van cultuurhistorische, tuinhistorische en tuinarchitectonische betekenis als voorbeeld van het verschijnsel dat in het begin van de twintigste eeuw opgang deed, namelijk de samenwerking tussen architect en tuinarchitect, waarbij de visuele relatie tussen tuin en woning zorgvuldig op elkaar werden afgestemd en waarbij aansluiting werd gezocht met de bestaande omgeving. Maar ook de kwaliteit van de oorspronkelijke ontwerpen (in Architectonische Tuinstijl) dragen bij aan die waardering. De verdiepte bloementuin met put is opzichzelf van tuinhistorische en tuinarchitectonische waarde als vrijwel gaaf en daardoor zeldzaam geworden voorbeeld van een dergelijke type deeltuin. Tevens is het zeer kenmerkend voor het oeuvre van Tersteeg.’

De omgeving van De Maerle
De omgeving van Villa De Maerle is typisch Goois. In een heidelandschap afgewisseld met kleine akkers en oude landgoederen ontwikkelde J.P. van Rossum het villapark De Stukken in wat nu algemeen bekend staat als Bikbergen, een gebied tussen Naarden en Huizen. Bekende architecten uit die tijd ontwierpen er villa’s in diverse stijlen waarvan sommige nog steeds het aanzien waard zijn. Ook K.P.C. de Bazel was er actief. Nog steeds erg fraai is het tuinmanshuis ‘t Beukenootje uit 1902 aan de Valkeveenselaan. De ‘Engelse’ villa De Maerle voor Van Blaaderen stamt uit 1906 evenals de eerste tuinaanleg van Dirk Tersteeg. Van Alphen liet als eigenaar in 1917 de villa ‘vernieuwen’ en bouwde de garage met twee dienstwoningen. Nu is de villa onderdeel van een cluster gebouwen centraal op een terrein waar rondom de huizenstijltuinen en landschappelijkegedeelten te vinden zijn. Onder de bebouwing bevinden zich inmiddels paardenstallen, buitenbak, bergingen, garages, een zomerhuis met fitnessruimte, sauna, keuken en een zwembad, overlopend van binnen naar buiten.
Omdat ik inmiddels erg benieuwd ben naar de huidige stand van zaken, ben ik in juli 2015 op de fiets gestapt en heb bij Oud Bussumerweg 44 aangebeld. Een aardige mevrouw deed aarzelend open. Ik gaf mijn kaartje, een nummer van OnzeEigenTuin en een exemplaar van Tuinboek Nederland. Plus mijn visitekaartje met een telefoonnummer. Haar respons: ‘Het komt niet zo uit, ik moet met mijn man overleggen, we gaan eerst met vakantie, u hoort nog.’ Ik ben benieuwd.
Caroline de Koning is tuinontwerper en woont aan de Bikbergerweg, om de hoek van de Oud Bussumerweg. Ik mail haar of de wat voor mij kan doen. Helaas kent ze de bewoners van De Maerle niet persoonlijk. ‘Ze zijn erg op zichzelf en staan niet bekend als buurttijgers.’
Begin September wandel ik door Bussum, de telefoon gaat. In de rumoerige Brinklaan neem ik op en heb niet meteen door wie ik aan de lijn heb. ‘U kwam op de fiets langs en heeft gevraagd of u onze tuin mocht fotograferen.’ Ah, mijn bewoners van De Maerle. ‘Wij dachten vrijdag 18 september rond tienen. U mag onze namen niet gebruiken en we willen de tekst zien voor publicatie. Wij sturen u nog een mail ter bevestiging.’ Een paar dagen later vind ik inderdaad de mail, mysterieus ondertekend met Mark en Marijke. De weersverwachtingen zijn niet te best, ben erg benieuwd naar de tuin.
Stadspark Sittard
Redelijk onbekend is mij het werk dat Dirk Tersteeg maakte voor de openbare ruimten. De boekwerken die ik raadpleeg voor mijn zoektocht hebben vooral het werk voor particulieren als uitgangspunt. Vandaar dat ik Paul en mezelf opgaf voor de Nederlandse-Tuinenstichting-wandelexcursie van 12 september 2015 naar de Geheime Tuinen van Sittard. Het mij onbekende Stadspark van Dirk Tersteeg stond op het middagprogramma. Verzameld werd er in het Mariapark dat geen park bleek te zijn. Ik schreef naderhand voor het Tuinjournaal het volgende bericht:
‘Normaal verzamelen zich bedevaartgangers in het gebouw Mariapark tegenover de basiliek van Sittard. Zaterdagmorgen 12 september stonden Peer Boselie en Dieneke Onderdelinden van de Werkgroep Geheime Tuinen echter klaar om NTs-donateurs te ontvangen met koffie en vlaai en erna een wandeling door onbekend groen. Peter Borsalie is stadsarchivaris en geestelijke vader achter het plan om de kleine groene oases rond het stadshart te revitaliseren en met een wandeling te verbinden. Hij is een enthousiast pleitbezorger en dat levert resultaat op. Gesloten tuinblokken rond de stadswallen zijn heropend, nieuw beplant en via borden wordt een verhaal verteld, zoals dat van de ongelukkige liefde in de Jardin d’Isabelle. De grote Ursulinentuin wordt een bezinningstuin, naast het Toon Hermanshuis ligt een roerende rozentuin voor kankerpatienten en hun naasten. Verderop wachten middeleeuwse volkstuinen en forten op hun nieuwe bestemming. Het was een wandelexcursie, perfect voorbereid door Marjorie Gisolf-Smit en Hetty Benschop van de Excursiecommissie, dus liepen we na de Geheime Tuinen door het Stadspark naar De Ophovenermolen waar we, -geen broodje kaas-, met een heerlijke warme lunch verrast werden, zuur vlees of lasagna, linzentaartje na. Intussen was Guy Limpens aangeschoven, landschapsarchitect en tevens stedelijk ontwerper in Sittard. Hij toonde de ontwerpen van Dirk Tersteeg uit 1921 voor het Stadspark en vertelde hoe het park er in fases kwam, de veranderingen erin, de bedreiging door bebouwing en vereenvoudiging van beplanting. Limpens richt nu zo authentiek mogelijk in de stijl van Versteeg het oorspronkelijke deel van het park opnieuw in. Op de wandeling erna door de verschillende sferen van het park, zoals de grote vijver, het oude zwembad, de cirkels en de vierkante vijver , zagen we nieuw en oud naast elkaar. Guy Limpens is een kundig verteller en fervent beschermer van het groene cultureel erfgoed. Langs lanen met fraaie tuinen, heggen en villa’s wandelden we naar Schtad Zitterd op de markt voor de afscheidsborrel, niet alleen voor deze excursie. Voot Hetty Benschop is dit het laatste seizoen, dankjewel Hetty, en Dieneke Onderdelinden treedt aan. Zaterdag 12 september, een actieve wandeldag langs onbekend groen Sittard.’

Voorkennis Stadspark Sittard
Het Stadspark is het enige park in Nederland met een officiële Rijksmonumentstatus. Op de site vind ik de volgende beschrijving (hier en daar fors ingekort):
Het Stadspark in Sittard, 1921-1933, is aangelegd in een gemengde tuinstijl met elementen van zowel een landschappelijke als formele aanleg. Het geheel, dat in een drietal fasen tot stand kwam, werd in het kader van de werkverschaffing gerealiseerd in opdracht van het gemeentebestuur van Sittard, naar een ontwerp van de tuin- en landschapsarchitect D.F. Tersteeg uit Naarden. In 1921 en 1922 werd het zuidelijke deel van de aanleg met roeivijver en de slingervijver gerealiseerd. In 1924-1925 kwam het noordelijke deel rond de eendenvijver en in 1927 het daarop aansluitende gebied ter hoogte van de kleine vijver gereed. In 1932 werd het ontwerp door Tersteeg aangepast met het oog op de inpassing van een zwembad in het nog braakliggende middengedeelte van het park. Tersteeg heeft de directie gevoerd over de uitvoering van het grootste gedeelte van het park. Het relatief smalle, langgerekte park is gesitueerd in een voormalig broek- en bronnengebied ten zuiden van de historische binnenstad, tussen de wijken Ophoven aan de westzijde en Kollenberg aan de oostzijde. De vijvers van het park onttrekken hun water aan de ter plekke aanwezige bronnen en wateren af op de Geleenbeek\Molenbeek.
John Bergmans reduceerde beplanting van Dirk Tersteeg
In de jaren vijftig trof de tuin- en landschapsarchitect J. Bergmans van de gemeente Sittard voorbereidingen voor een restauratie die nooit tot uitvoering is gekomen. Wel reduceerde hij de beplanting in het stadspark aanzienlijk. In 1983 werd het noordelijke parkdeel onder supervisie van de gemeentelijke plantsoenendienst conform het oorspronkelijke ontwerp van D.F. Tersteeg in de oorspronkelijke staat teruggebracht; diverse bouwkundige elementen in het park werden vernieuwd, vervangen of gerestaureerd. In 1994-1995 werd, na de gedeeltelijke sloop van het voormalige zwembad van stadsarchitect G.H.H. Cuijpers, het middendeel van het park heringericht naar een ontwerp van tuin- en landschapsarchitect G. Limpens van de gemeente Sittard. Als gevolg van deze herinrichting kreeg het middendeel van het park de functie van een theatervormig evenemententerrein, waarbij de resterende fa¿ade van de zwembadentree als entree én podium voor genoemd terrein is gaan functioneren.

Het Stadspark Sittard kenmerkt zich door een wisselende toepassing van landschappelijke en formele parkelementen, in combinatie met bouwkundige elementen als keermuren, zitbanken, trappen en beelden. De boom- en heestergroepen zijn zodanig geplaatst, dat zij ruimten vormen met lange doorzichten en een coulissenwerking creëeren. Elementen als waterlopen en lange ruimten worden optisch vergroot door de uiteinden te verbergen, waardoor de suggestie van voortzetting buiten de zichtwijdte wordt opgeroepen. Aan de uiteinden van diverse zichtlijnen zijn schaalelementen geplaatst, zodat de afstand geschat kan worden. De grasvelden zijn grotendeels geschulpt aangelegd, de bomen in het gras staan veelal op een kleine verhoging.
Het ZUIDELIJKE parkdeel, daterend uit 1921-1922, werd ingericht als roeivijver met een rondwandeling. Aan de noordzijde van de roeivijver, in het midden van de zichtas over de vijver, is een zitbank geplaatst. Op de aanlegplaats aan de oostzijde was het nooit gerealiseerde paviljoen gepland. Achter deze aanlegplaats, aan de oostzijde van de Vijverweg, werden de slingervormige kleine vijver met rondwandeling en enkele grasvelden aangelegd. Het omgrenzende wandelpad liep in zuidelijke richting door tot aan het snijpunt van Molenweg en Vijverweg. Aan de zuidzijde van de roeivijver was een tweetal zitbanken en een klein grasveld voorzien. De westelijke afgrenzing van het zuidelijke parkdeel wordt gevormd door de Molenweg. In de aanleg van het zuidelijke parkdeel zijn de Ophovener Watermolen op de Geleenbeek uit 1716 en de stuwsluis met brug bij de afsplitsing van de Molenbeek (oudst bekende vermelding 1543, gerestaureerd in 1752) als belangrijke gezichten bij het ontwerp betrokken. Zowel de watermolen als de stuwsluis zijn van rijkswege beschermd. De beplanting van het zuidelijke parkdeel, inclusief de aanleg rond de slingervijver, bestaat voornamelijk uit solitaire eiken, kastanjes, elsen en rhododendrongroepen.
Het NOORDELIJKE parkgedeelte, 1924-1925, met uitbreiding uit 1927, heeft een drietal samenstellende onderdelen. Aan de noordzijde, bij de Agricolastraat, bevinden zich de hoofdentree en een eendenvijver, die vanaf het Julianaplein een lange zichtlijn over het water hebben, die tevens als symmetrie-as fungeert. Aan het einde van de zichtlijn stond oorspronkelijk een obelisk, thans een sculptuur. De hoofdentree bestaat uit een aantal bakstenen traptreden midden in de zichtas, geflankeerd door een aantal zitbanken achter een bakstenen keermuur, die aan de noordzijde aan het oog worden onttrokken door een rozenaanplant. De eendenvijver is rechtlijnig en symmetrisch van opzet, heeft een versmalling aan de zuidzijde en waterafvoeren aan de zuidwest- en zuidoostzijde.
De vijver heeft bakstenen keermuren met ijzeren leuningen op betonnen basementen. Het metselwerk van deze keermuren kenmerkt zich door het smalle formaat van de baksteen, de brede terugliggende horizontale voegen en de smalle verticale voegen. Deze keermuren versmallen aan de bovenzijde. De zichtas naar de sculptuur bezuiden de eendenvijver (de zogenoemde “berg”) wordt geaccentueerd door de kleurstelling van de flankerende en omgevende aanplant. Aan weerszijden van eendenvijver en sculptuur bevinden zich geschulpte grasvelden en een patroon van zowel rechtlijnige als geboogde paden. Het tweede deel van de noordelijke aanleg bestaat uit een speelweide omgeven door een bijna cirkelvormige rondwandeling en is voorzien van een tweetal zichtassen. Één zichtas in west-oostrichting, tussen de kleine vijver en de zitbanken aan de Vijverweg; de tweede zichtas bevindt zich in noord-zuidrichting, tussen de zitbanken aan de noord- en zuidzijde van de speelweide. De noordelijke aanleg werd aan de zuidzijde afgesloten door een inmiddels verdwenen spiegel- annex lelievijver, die ter plekke de gehele breedte van het park tussen de beek en de Vijverweg besloeg.
Het geplande maar nooit gerealiseerde tuincasino aan de oostzijde van de Vijverweg, in de toenmalige tuin van de Hoeve Bergerhof, was voorzien in de symmetrie-as van de lelievijver. Het overtollige water van het noordelijke parkdeel vloeide oorspronkelijk naar de beek via een systeem van afwateringssloten dat thans verdwenen is. De beplanting van het noordelijke parkdeel bestaat uit boomgroepen en solitaire bomen. Een rijk assortiment van onder meer geelhout (Cladastrus lutea), Perzische eik (Quercus macranthera), es (Fraxinus excelsior Diversifolia), moerascypres (Taxodium distichum), rode pavia (Aesculus pavia Atrosanguinea) en moeraseik (Quercus palustris). Ten aanzien van de heesters zijn er in de vorm van vakbeplanting onder andere hortensia’s, rhododendrons, azalea’s en rozen.
De ensemblewaarden van het Stadspark zijn zeer aanzienlijk
Het MIDDENGEDEELTE van het park was oorspronkelijk voorzien als wandelgebied met vele vloeiend gesitueerde wandelpaden, laantjes, boom- en heestergroepen. Dit plan werd echter niet gerealiseerd. Ter plaatse werd in 1932-1933 het zwembad aangelegd. Bij de reconstructie van 1994-1995 zijn – in het streven naar een naadloos inpasbaar eigentijds ontwerp en het realiseren van een verwijzing naar de architectuur van het voormalig zwembad – de aanzetten van de perifere wandelpaden grotendeels in stand gebleven en werd de gevel van het voormalige zwembad, op een verhoogd terras, bewaard. In het ontwerp fungeert deze gevel als poort naar het nieuwe middendeel en brengt een scheiding aan tussen straat en park. Het verhoogde terras is het podium van dit parkdeel, dat door het grote geschulpte grasveld het karakter van een theater heeft. Gezien de ruimtelijke opzet van dit nieuwe middengedeelte bestaat de middels gras (gazon) beperkte beplanting slechts uit enkele boomgroepen met onder meer Vleugelnoten (Pterocarya), Amberbomen (Liquidambar), Magnolia, Valse Christusdoorn (Gleditsia) en Metasequoia’s. In de nabijheid van de zwembadgevel worden de paden begeleid door beukenhagen.
Het padentracee van het Stadspark Sittard, met wisselende breedten en profielen, is volledig gaaf. De meeste zitbanken zijn vernieuwd. Aan de noordwestzijde van het park, bij de Molenbeek, bevindt zich nog een oorspronkelijke zitbank met siermetselwerk op de flankerende dwarsmuren. Alle afwateringssloten van het park zijn verdwenen. De omgrenzing van het parkmonument staat aangegeven op de bij de bescherming behorende kaart. Waardering Het stadspark van Sittard is van cultuurhistorische waarde als bijzondere uitdrukking van een landschappelijke en typologische ontwikkeling en tegelijkertijd van een sociaal-economische ontwikkeling: de werkverschaffing in de jaren dertig van de 20ste eeuw. De architectuurhistorische waarden van het park zijn groot en worden bepaald door het belang van het park voor de geschiedenis van de tuin- en landschapsarchitectuur in Nederland; door de toegepaste stijl; door de bijzondere plaats van deze grootschalige, openbare aanleg in het oeuvre van de tuin- en landschapsarchitect D.F. Tersteeg, wiens werk van nationaal belang is; door de esthetische kwaliteiten van diens ontwerp, door het bijzondere beplantingsplan van hoge dendrologische waarde en door de toepassing van tal van bouwkundige elementen in het ontwerp. De ensemblewaarden van het park zijn zeer aanzienlijk. Bij het ontwerp van het stadspark is de symmetrie-as van de stedenbouwkundige uitleg van het aangrenzende villapark rond het Julianaplein tot zichtlijn en symmetrie-as van het noordelijke parkdeel gemaakt.
Het park is vanwege de situering ten zeerste verbonden met de uitbreiding en ontwikkeling van Sittard, is van zeer groot belang voor het aanzien van de stad en beschikt over een historisch-ruimtelijke relatie met de Geleenbeek\Molenbeek en de drassige bodemgesteldheid ter plaatse. Het stadspark is in redelijk gave staat bewaard gebleven en is van zeer groot belang voor de structurele en visuele gaafheid van de stedelijke omgeving. Bovendien zijn gaaf bewaard gebleven stadsparken in Nederland een zeldzaam verschijnsel te noemen. Het stadspark van Sittard vertegenwoordigt een algemeen belang vanwege het geheel van voornoemde waarden.’ (bron: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed)
Zuiderlucht: Ontmoetingsplaats voor het volk
Bij verder onderzoek stuit ik op een artikel uit Zuiderlucht, cultureel maandblad van 31 oktober 2012. Titel: Renovatie Stadspark Sittard, Ontmoetingsplaats voor het volk. Daarin vertelt Edwin Santhagen over zijn renovatie van het Stadshart. Wie is Santhagen, wat is zijn opdracht en wie zijn opdrachtgever? Ik dacht dat Guy Limpens de regie had. Wie doet wat waar? Afijn, het artikel gaat als volgt: Landschapsarchitect Edwin Santhagens kreeg een bijzondere opdracht: maak een ontwerp voor de renovatie van het Sittardse Stadspark. Hij dook in de historie, verkende elke vierkante meter van het terrein en overlegde met ambtenaren en klankbordgroep. Nu heeft de Haagse architect voldoende munitie. ‘Dit park moet in ieder geval een ontmoetingsplek voor iedereen worden.’ Om maar meteen een misverstand uit de wereld te helpen: het Stadspark van Sittard gaat niet ingrijpend op de schop. “Nee, in grote lijnen verandert er niet veel,” zegt Edwin Santhagens als hij op een koude aprildag voor de zoveelste keer samen met zijn echtgenote Monique ‘een dagje Sittard’ doet. Omdat hij er moet overleggen, maar ook omdat ze een beetje verliefd zijn geworden op de stad en zijn park. “Stadspark Sittard is een van de weinige parken in Nederland met de monumentenstatus. Renovatie is daarom gebonden aan strenge regels. Een verborgen juweel dat opgepoetst moet worden, niet vervangen. Het is erfgoed van de beroemde Amsterdamse landschapsarchitect Dirk Tersteeg. In 1920 al heeft hij de lijnen uitgezet. Voor die tijd revolutionair. Geen park voor de elite, maar voor het volk. Om er te wandelen, te ontspannen, te spelen en te luieren. In die geest werkt Edwin Santhagens aan een ontwerp. Het is de bedoeling dat de gemeenteraad dit ontwerp ná de zomer behandelt. Hoe het park er precies gaat uitzien, kan en wil hij nog niet zeggen. ‘In ieder geval met veel respect voor de geschiedenis. En rekening houdend met de informatie en ideeën van de klankbordgroep. Die is samengesteld uit vertegenwoordigers van zeventien verschillende organisaties. Bijvoorbeeld de wijkplatforms, de vrienden van het park, de hengelsportvereniging en de historische verenigingen. We genieten geweldig van die bijeenkomsten. Ongelofelijk hoe creatief mensen zijn, hoe graag ze mee willen denken. Dan pas merk je hoe verknocht mensen zijn aan hún park. Santhagens, die ook betrokken was bij de herinrichting van Artis en het bekende Oosterpark in Amsterdam, wil na enig aandringen toch een paar tipjes van de sluier oplichten. ‘Het park is een beetje verslonsd. De oevers van de vijvers en de beek zijn beschadigd, hekwerk en meubilair staan scheef of zijn kapot. Bomen zijn omgewaaid en verdwenen. Sommige bomen zijn ziek en moeten gekapt worden. Het is dus vooral een kwestie van opknappen en herstellen. En veel nieuwe bomen planten. Net als bij het ontwerp van Tersteeg, veel verschillende soorten bomen. We hebben er meer dan 100 geteld. Verder moeten we meer doen met het water. Juist de Keutelbeek maakt dit park zo uniek. Tenslotte pleit Edwin Santhagens voor het inrichten van een theepaviljoen of caféterras. Liefst met speel-tuintje. ‘In het park moet ruimte zijn voor culturele evenementen. Ouders en grootouders moeten er een ijsje kunnen eten met hun kinderen of een kopje kof- fie drinken. Als er een uitvoering is, dan hoort daar een drankje en een hapje bij. Zo maak je een park tot een ontmoetingsplaats voor jong en oud.’
Dagblad Trouw: Monumentaal groen verdient extra aandacht
Ik duik nog verder terug in de tijd en kom bij een artikel uit dagblad Trouw van 17-5-2010. Kop: Monumentaal groen verdient extra aandacht, Auteur: Andrea Holwerda Groen erfgoed is belangrijk voor een stad, maar het onderhoud is duur. Dankzij een nieuw subsidiepotje van het Rijk komt er extra geld beschikbaar. Dat is hard nodig, laat het Sittardse stadspark zien dat tussen 1921 en 1933 werd gerealiseerd. ‘Als je er nu rondloopt vertellen mensen vooral over hoe het vroeger was en wat een verschil dat is met nu.’’Daar stond ’ie”, zegt groen-adviseur Jules Sondeijker van de gemeente Sittard-Geleen-Born. „De 120 jaar oude moeraseik.” Hij wijst naar een iel boompje achter een rijtje rododendrons, omringd door een groot grasveld. „Die hebben we er voor in de plaats gezet. Een ongelofelijk verschil. De oude eik had jarenlang de ruimte om te groeien en was dus overweldigend groot. Maar de wortels waren verschimmeld, dus we móesten hem wel weghalen.”
De oude boom is de dupe geworden van het gebrek aan onderhoud aan het monumentale stadspark. „We hebben maar weinig monumentaal groen in Sittard, maar door de gemeentelijke herindeling – Sittard, Geleen en Born vallen nu onder één lokaal bestuur – is het park een beetje op de achtergrond geraakt. De aandacht ging naar andere dingen”, stelt Sondeijker. Als je iets wilt aanpakken, is dat namelijk een flinke aanslag op het gemeentelijke budget, stelt hij. „Het plaatsen van een nieuwe boom kost ongeveer 12.000 euro. Dat geld moet uit het algemene potje komen. Als je dan drie bomen moet vervangen, kun je het jaar erop niets doen.’ Toch kan je volgens Sondeijker niet blijven denken: er is nu geen geld voor. „Een park is een dynamisch iets. Als je het laat zitten, kost het na verloop van tijd alleen maar meer.” Het college heeft daarom inmiddels 500.000 euro voor het onderhoud van het park beschikbaar gesteld. Een werkgroep buigt zich nu over een plan van aanpak voor 2011.
Daarnaast wordt er gekeken of de gemeente aanspraak kan maken op het nieuwe subsidiepotje van het Rijk. Dat heeft onlangs 4 miljoen euro beschikbaar gesteld voor de 1300 ’groene monumenten’ in Nederland. „Het was jarenlang ongelijk verdeeld, maar nu is het idee dat roodstenen-erfgoed niet zonder groen kan. Het is een wisselwerking”, stelt Ben de Vries van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. Gemeenten kunnen een plan van aanpak indienen voor het onderhoud aan groen dat in het oorspronkelijke plan van de architect is genoemd, bijvoorbeeld een bomenrij.
Het besef dat groen belangrijk is voor de stad is in heel Nederland gegroeid, stelt onderzoeker Irini Salverda van kennisinstituut voor de groene leefomgeving Alterra. „Het staat steeds meer op de agenda van gemeenten.” Dat komt volgens haar onder meer omdat bewonersgroepen vaker hun stem laten horen. Daarnaast blijkt uit meerdere onderzoeken dat een stad via groen ook andere dilemma’s kan aanpakken. „Vroeger was het echt een sluitpost, een zachte waarde. Nu is onder meer gebleken dat overgewicht bij kinderen 15 procent minder is in een groene wijk.”
We moeten het stadspark de komende tijd in oude glorie herstellen, stelt Gerard van Heeswijk van de Sittardse afdeling van natuurorganisatie IVN. „Het is een prachtig park, waar veel mensen een band mee hebben. Maar als je er rondloopt vertellen mensen vooral over hoe het vroeger was en wat een verschil dat is met nu.”
Het stadspark Sittard werd tussen 1921 en 1933 gerealiseerd onder leiding van tuinarchitect Dirk Tersteeg. Mensen die geen werk hadden in de plaatselijke mijnen legden het groen aan. Aan het begin van het park werd een rechthoekige vijver gebouwd, in het verlengde van de woningen aan het Julianaplein. Zo zijn het park en de wijk met elkaar verbonden. Na de vijver gaat het park over in een slingerend landschap met heesterborders en boomgroepen.
Eind 2000 werd het groen als beschermd Rijksmonument aangewezen. Maar het heeft daarna dus nog niet de aandacht gekregen die een stadspark met zo’n status verdient, zegt Jules Sondeijker. „Zo laat je zaadlijsten in een klein park gewoon liggen, maar hier zou je ze liever weghalen. Daarnaast kan je het gras hier niet zo maaien als op andere plekken in de stad.”
Leon van den Heuvel van bewonersvereniging De Zonnewijzer vindt ook dat er wat moet gebeuren. „Ik werk aan huis en kom dus dagelijks in het park. Het is jammer dat de vijver is verweerd en de oude moeraseik is verdwenen. Die boom was echt magisch. Eerder was er een vaste groep mensen verantwoordelijk voor het onderhoud. Dat is nu niet meer en daardoor is het minder geworden.”
De aandacht is volgens groen-adviseur Sondeijker ’verwaterd’. En water is juist waar het park veel last van heeft. De wortels van een aantal van de 1300 monumentale bomen zijn gaan schimmelen, doordat het grondwaterpeil de afgelopen tijd fors is gestegen. Sondeijker: „De stijging komt onder meer door het sluiten van de melkfabriek in de buurt. Die onttrok met gemalen water van dit venige gebied. We wisten dat dat voor problemen zou zorgen, maar we wisten niet in welke mate en we hadden gewoon geen oplossing.”

Nu er geld voor het park beschikbaar is, staat het oplossen van het waterprobleem bovenaan het lijstje van groen-adviseur Sondeijker. Daarnaast zullen bijvoorbeeld de voetpaden worden aangepakt en zal er nieuw groen worden aangeplant. „Onder meer de vaste planten in de borders moeten worden vervangen. Daar is oneindig omheen geschoffeld en dat kun je duidelijk zien. Ze staan op een soort zandsokkel. Dat hoort niet.” Ook wil Sondeijker de trappen, banken en hekwerken van het park opknappen. ‘Tersteeg had in zijn oorspronkelijke ontwerp meerdere muurtjes en trappetjes staan. Die zijn heel typerend.’
Hij wijst naar een bankje bij de vijver. „Die staat op een stapeltje stenen waar duidelijk stukken van af zijn. Dat moeten we repareren.” Bij het opknappen van het park zullen de bewoners die om het park wonen binnenkort ook worden betrokken. Sondeijker: „We willen dat de buurt straks zegt: Dit is ons park.” De betrokkenheid is volgens de adviseur de afgelopen jaren al wel toegenomen. „Mensen komen er vaker, niet alleen voor een zondagse wandeling maar bijvoorbeeld ook op Koninginnedag of om te sporten.” De buurt heeft het park een paar jaar geleden al wat cadeau gedaan. Bewoner Van den Heuvel: „We hadden na een buurtfeest geld overgehouden en daar hebben we toen een koppeltje zwarte zwanen van gekocht.” Leuk voor jong en oud om naar te kijken en te voeren. „Alleen maken de kuikens van dit jaar wel ruzie met die van vorig jaar”, lacht Van den Heuvel. Tot zover dagblad Trouw (bron: De Persgroep Digital. Alle rechten voorbehouden).

Geschreven door Gj Deunk
Meer van Gj Deunk bij Tuinenstruinen
Gearchiveerd onder:De Mensen, De Tuinen Tagged: D.F. Tersteeg, front, Garden Design, Gardens, Gerritjan Deunk, Landscape Design, Landscaping, Natuurlijke tuin, Nederlandse Tuinarchitectuur, Nederlandse Tuinenstichting, Plant, Tuinarchitectuur, Tuinieren, Tuinieren in de lage landen, Vaste planten
